Adoptiebroeder.

vrijdag, augustus 5th, 2011. Categorie: LevenSchermafbeelding-2011-08-05-om-20.41.02-300x150

Twaalf man sterk stonden ze om hem heen, die vrijdagmiddag. Op een mooie dag in maart, ergens in een vorig leven, hoorde hij zijn eigen stem door de overvolle moskee klinken: “Asjhadoe alaa illaha illAllah wa asjhadoe anna Mohammadan RasoelAllah.” Terwijl hij sprak, voelde hij de tranen over zijn wangen biggelen. Hij keek zijn broeders aan. Ze wreven in hun ogen, beten op hun lip. Want huilen mag halal zijn, het is gewoon niet hip.

Geknuffeld werd hij. En gekust. Door iedereen die hem even daarvoor de sjahada had horen uitspreken. Jong, oud, Marokkaans, Turks, Somalisch, Surinaams, Aziatisch of Nederlands. Het telde allemaal niet. Alle aanwezige mannen waren broeders van elkaar. En iedereen was blij met hem. Lachend had hij dan ook de moskee verlaten, die dag. Stralend ging hij de straat op. Hij voelde zich welkom. Thuis. Op een plaats waar zo’n beetje niemand dezelfde afkomst had als hij. In een gebouw waar veelal werd gesproken in een taal waar hij niet veel van begreep. In de moskee, daar was hij gelukkig. Daar kwam hij tot rust.

En rust had hij nodig, want daar ontbrak het nogal aan de laatste tijd. Zijn sociale omgeving had zich in de aanloop naar deze mooie dag namelijk in tweeën gesplitst en hij bevond zich op de scheidslijn. Op de grens tussen moslims en niet-moslims, die hem al dan niet persoonlijk kenden. Twee totaal verschillende kampen, met maar één overeenkomst: ze hadden allemaal een mening over hem. De bekeerde moslim.

Niet-moslims lachten hem uit. Vroegen hem naar zijn baard. Of hij binnenkort op trainingskamp ging voor Al Qaeda. Of hij nu ook aan kleine meisjes mocht zitten, net als z’n profeet. Of hij moslim was geworden voor die honderd maagden na z’n dood. Of hij verliefd was op een Marokkaanse. Of hij wel wist dat al die buitenlandse wijven haar op hun armen hebben. Of hij teveel met Marokkanen om was gegaan. Of hij nu de hele dag in een jurk moest lopen en naar zo’n jengelstem moest luisteren. Of hij wel wist dat-ie met Ramadan ook geen glaasje water mag drinken. Of hij wel wist wat-ie allemaal niet meer mocht eten. Of hij niet beter meteen homo kon worden, aangezien hij toch niks meer met vrouwen mocht ondernemen. Dat-ie achterlijk was. Een landverrader. En later, als hij óók nog met een moslima zou trouwen, een rassenverkankeraar. Het is hem allemaal gezegd. En het deed hem pijn, heel veel pijn.

Zijn bloedeigen neef besloot hem nooit meer te willen zien. Vrienden met wie hij jarenlang lief en leed had gedeeld, maakten hem tot het onderwerp van spot en hoongelach. De afkeurende blikken en het stiekeme gniffelen, hij herinnert het zich als de dag van gisteren. Natuurlijk was dat niet alles.

Hij kende namelijk ook een boel moslims. En moslima’s. En die waren louter positief. Als hij een Euro kreeg voor elke keer dat hij masha’Allah, tbarkallah of subhanallah hoorde als hij vol enthousiasme z’n bekeringsverhaal vertelde, was hij binnen een maand of zes wel miljonair. Echt wel. Dat hij vanuit het hart zo enthousiast van de daken schreeuwde hoe geweldig hij zich voelde, bleek achteraf alleen maar dom. Het heeft hem niets dan nog meer ellende gebracht.

Want vooral mooie meisjes luisterden naar zijn verhaal. Heel veel, hele mooie meisjes. In zijn zoektocht naar bevestiging en begrip was het precies wat hij nodig had, maar hij kon er helemaal niet mee omgaan. Hij heeft gedacht dat het hen om hem ging, maar het ging hen om het beeld dat zij van hem hadden. De bekeerde jongen. Hij die alles in religieus opzicht perfect deed, omdat hij de bewuste keuze had gemaakt en er vol liefde over sprak. Natuurlijk was hij niet perfect, zoals niemand ooit perfect zal zijn. Maar de seconde dat de moslima’s dat ontdekte, was het voorbij. Ze hadden hem in een rol gestopt die helemaal niet bij hem paste en toen hij daaruit viel, heeft hij dat geweten. Het grote boze roddelen begon.

De meeste moslims waren al langer sceptisch. Het grootste gedeelte van de broeders in zijn omgeving sprak nooit met hem, de meesten kende hij niet eens, maar ze hadden allemaal hun zegje klaar. Hij was bekeerd voor de aandacht, hij deed het allemaal voor de zusters. Hij kickte op de blikken en lovende woorden. Mooie jongens doen dingen namelijk nooit zomaar. Hij zou een grappenmaker zijn. Een nepbroeder. Hij hoorde het allemaal, achteraf. Zoals hij ook vernam hoe broeders zich geroepen voelde om zusters voor hem te waarschuwen. Want dat was het mooie aan alles. In z’n gezicht is iedereen altijd positief geweest. Achter z’n rug om, daar speelde de ellende zich af. Tot hij op het punt heeft gestaan om aangifte te doen van laster en smaad. Hij is er bijna aan kapot gegaan, letterlijk.

Hij heeft alles willen laten gaan, hij is verdwaald geraakt. Terug naar af gegaan, in de stellige overtuiging dat het met hem toch niet meer goed zou komen. Dat hij het allemaal niet waard was. Hij heeft verkeerde signalen afgegeven. Dingen gedaan. Zichzelf anders gepresenteerd dan hij daadwerkelijk is. In zijn zoektocht naar verdoving, want hij heeft pijn geleden. Hij heeft fouten gemaakt, is zwak geweest. Hij heeft hele diepe dalen gekend. Hij heeft zich hypocriet gevoeld. Hij is gaan geloven dat hij in en in slecht was. Hij heeft alleen en eenzaam geleefd. Afgezonderd van alles en iedereen. Hij is kapot gegaan aan alle opmerkingen, de meningen. Zijn eigen twijfel aan zijn eigen keuzes. Dat is voorbij nu. Nu is hij er blij mee.

Blij dat hij de Islam heeft leren kennen, voordat hij de moslims leerde kennen. Blij dat hij in die periode, waarin er van alles op hem afkwam terwijl hij erg naïef in zaken stond, zijn lessen heeft geleerd. Blij dat hij kennis heeft gemaakt met de slechtste ambassadeurs van de moslimgemeenschap. De ummah. Hachouma. Met hoe moslims onderling bevriend zijn, hebben zij namelijk geen vijanden nodig. De PVV kan net zo goed stoppen met hun haatcampagne. Moslims maken elkaar en dus zichzelf kapot. Vanzelf. En hij kan het weten. De meeste moslims en moslima’s roddelen en oordelen over elkaar alsof het een religieuze verplichting is. Ze letten zo druk op splinters in de ogen van anderen, dat ze de balk in hun eigen ogen niet zien. Veel jongens met baarden voelen zich superieur, terwijl ze slechts theoretische kennis bezitten en levenservaring missen. Veel meisjes met een hoofddoek, kunnen die beter niet meer dragen. Om verschillende redenen, die het daglicht niet kunnen verdragen. Die hij allemaal kan geven. Met namen en rugnummers erbij. Maar hij doet het niet. Het zou hem geen haar beter maken.

Bovendien maakt hij zelf nog steeds genoeg fouten en is er genoeg over hem te vertellen. Bovendien is niet iedereen hetzelfde. Bovendien heeft hij ook erg lieve, inspirerende mensen leren kennen. Bovendien schijnt het er allemaal bij te horen. Bovendien maken beproevingen je sterker en doe je het uiteindelijk allemaal voor jezelf. En voor God. Voor Allah, subhanahu wa ta’ala. De Enige die weet wat iemand goed of slecht doet. De Enige die mag oordelen, omdat Hij de Enige is die ook daadwerkelijk kán oordelen. Hier op aarde kan niemand dat. En daarom hoort niemand hem te boeien. Sommigen zullen het hem toch nooit gunnen, wat hij ook doet. En niemand zal hem écht begrijpen. Mensen zullen altijd iets te zeggen hebben. Je daar druk om maken is zinloos. Hij weet het. Zoals hij ook weet dat niets of niemand hier op aarde hem hetzelfde besef, dezelfde rust en eenzelfde warmte kan geven als zijn geloof. De Islam. Ook al is het allemaal lang niet zo romantisch als hoe de gemiddelde bekeerling erover praat. Echt niet.

Hij beseft het, ook als hij deze Ramadan weer alleen opstaat om zijn ontbijt te maken en te bidden. Hij wilde er nooit meer voor uitkomen. Nergens meer voor. Hij had geen zin meer om door moslima’s geweldig te worden gevonden, puur omdat ze weten dat hij moslim is. Zoveel aandacht en lovende woorden, verdient hij niet eens. Hij wil het ook niet. Hij had geen zin meer om door zijn moslimbroeders te worden vergeten, zodra de vastenmaand is aangebroken. Hij had geen zin meer om door niet-moslims te worden uitgelachen. Want ook die dingen verdient hij niet. Hij had er geen zin meer in om constant het gevoel te hebben, nergens (meer) écht bij te horen, maar wél altijd onderwerp van gesprek te zijn. Maar nu, nu boeit het hem niet meer.

Hij is blij dat zijn moeder hem eindelijk begrijpt. Dat zij zijn keuze van toen, nu eindelijk accepteert. En hem erin steunt. Die hem heeft zien worstelen, maar de uiteindelijke blik van verlichting in zijn ogen als geen ander heeft herkend. Zij zag hoe tranen plaatsmaakten voor een glimlach. Voor rust, in plaats van een constante zoektocht naar acceptatie. Naar waardering op de inhoud. In zijn constante gevecht tegen onbegrip. In de tweestrijd tussen het engeltje en het duiveltje op zijn schouder.

Hij kent zijn tegenslagen, telt zijn zegeningen. Hij wil zichzelf niet meer pijnigen. Niet meer twijfelen. Geloven dat zijn fouten zijn vergeven. Voelen dat hij leeft. Dat hij ertoe doet. Dat zijn goede eigenschappen het winnen van zijn slechte. Want hij is niets meer of minder dan een ander. Een individu met een gevoel, een verstand, een lichaam, een ziel en een geweten. Hij gelooft in één God, een aantal Profeten, een aantal Boeken, de Engelen, de Dag des Oordeels en in Lotsbestemming. Hij doet z’n best en faalt nog vaak. Maar hij is volhardend. Zelfstandig. Vastberaden. En hij doet het in stilte, allemaal. Apart van de groep. Dispar vulgo. Hij zal waarschijnlijk alsnog niet zomaar spreken over dit deel van zijn identiteit, maar verzwijgen of ontkennen doet hij het niet meer. Al zou het hem een boel gezeur schelen, maar ach. Hij richt zich op God. En zichzelf. Op positieve en respectvolle mensen, die leven en hem laten leven. Die niet kortzichtig, superieur, oordelend en kwaadsprekend door het leven gaan.

Toch zal de tweestrijd nooit ophouden. Als de avond aanbreekt en hij het vasten wederom alleen verbreekt, weet hij het meer dan eens zeker. Bij de niet-moslims zal hij nooit meer helemaal horen, wat hij ook doet. Of het nu familie is of niet. Hij is anders. Zij zien hem als moslim. En als al het negatieve wat dat woord bij ze oproept. Terwijl hij niet eens vraagt om respect, maar slechts om acceptatie. Op waardering naar de inhoud. Het voordeel van de twijfel. Want een moslim zal hij ook nooit worden, wat hij ook probeert. Hij zal altijd een bekeerling blijven. Een adoptiebroeder. Hij vraagt niet om aandacht, maar slechts om een beetje respect. Begrip. Het voordeel van de twijfel. Hij vertelt het mij, terwijl hij me steeds kort aankijkt. Als ik hem vraag naar hoe hij ondanks alles aankijkt tegen het feit dat hij bekeerd is, zie ik de tranen in zijn ogen opwellen. Zijn blik gaat door merg en been. “Alhamdoelilah,” hoor ik hem zeggen.

Godzijdank. Ik zeg het met hem mee.

  • Twitter
  • Facebook
  • Tumblr
  • MySpace
  • E-Mail

42 Reacties

Plaats uw reactie

Heeft u dit al gelezen?

Zwart.Trouwma. Broeder/zuster liefde, eerlijk.Over Dawoed en Piggelmo.Geschienediss.Ik geloof niet meer,Eid Mubarak‎, Geert! Bzzzz. 99.Iemand, niemand, lot.Op naar de top. De toren van Babel. Witte maat, zwarte maat.Ogenschijnlijk succesvolle baan. Zoals vroeger.Hoofd- en bijzaken.Zebra.Robbie en z’n vriendjes. Pauw & Wow.Popcorn.